Categorieën
Een kennisparel van Jaap de Waard

[100] 24 augustus 2020: Jan J.M. van Dijk: Een ´kennismens´ bij uitstek

Inleiding en context

Maandagochtend 24 augustus 2020, een bijzonder moment voor mij: op 16 maart jl. verstuurde ik de 1e parel en vandaag alweer nummer 100. Een ´kennisjubileumparel´ dus, en naar nu blijkt, een geslaagd experiment. Ten minste, afgaande op de vele positieve reacties die ik van de ontvangers kreeg. Waarvoor dank. Blijkbaar voldoet deze manier van kennisverspreiding aan een behoefte bij vele partijen en veiligheidspartners die zich met de aanpak van criminaliteit en rechtshandhaving bezig houden. (Wetenschappelijke) kennis voor beleid en praktijk is in feite een belangrijke productiefactor voor een effectief en financieel gezond beleid.

Dat zijn natuurlijk allemaal mooie woorden, maar ik ben eigenlijk best tevreden over dit experiment. Maar toch ga ik er mee ophouden, dit is dus voorlopig de laatste ´kennisparel´ die jullie in de mail vinden. Ik ga er een dikke maand tussenuit, en zal na die periode de draad weer oppakken. Ik heb eigenlijk best lang moeten na denken welke 100e kennisparel vandaag bijgesloten moest worden. Ik dacht dat moet een bijzondere zijn. Maar hoe kies je die uit dat grote aanbod van kennis op ons vakgebied?

En ik ben eruit. Het wordt een bijzondere parel, niet een prachtige synthesestudie, geen goed onderbouwd rapport. Nee, het is een parel over de beleids-, kennis- en onderzoekactiviteiten van één persoon: Jan J.M. van Dijk (JJM). Hij mag zich wat mij betreft tussen 1981 en 1998 bestempelen als de grootste en meest invloedrijke onderzoeker en beleidsmaker binnen het toenmalige ministerie van Justitie. Ik heb die activiteiten chronologisch opgeschreven in bijgevoegd hoofdstuk voor zijn Liber amicorum uit 2012.

Waarom een ´kennisparel´ over JJM? Ik heb in veel van mijn eerder verzonden ´kennisparels´ als vaak gezeurd over het ontbreken van het collectieve geheugen binnen het ministerie van Justitie & Veiligheid, het gebrek bij beleidsmakers aan het gebruik van kennis, en het spanningsveld tussen ´policy based evidence en evidence based policy´. Naar mijn mening geeft de inhoud van bijgesloten hoofdstuk een mooi systematisch beeld hoe er in de periode 1981 – 1998 sprake was een kennisrijk en kennisgericht ministerie van Justitie. Uiteraard is de context anno 2020 totaal anders ten opzichte van die periode, maar er valt veel van te leren. Het was ooit Winston Churchill die opmerkte: ´hoe verder je terugkijkt hoe verder je vooruit kunt zien´. Naar mijn mening is onder aanvoering van JJM veel van het huidige justitiebeleid al in de periode 1981 -1998 in gang gezet. Ik geef daar in onderstaande samenvatting een aantal saillante voorbeelden van.     

Bron

Waard, Jaap de & Monique Overwater (2012). Als de dag van gisteren: Een aantal bijzondere herinneringen aan Jan J.M. van Dijk gedurende zijn periode op het ministerie van Justitie, 1981 – 1998. In: Marc Groenhuijsen, Rianne Letschert & Sylvia Hazenbroek (Red.). KLM van Dijk: Liber amicorum prof. dr. mr. J.J.M. Van Dijk’. Nijmegen Wolf Legal Publishers, pp. 385-397.

https://www.researchgate.net/publication/305778723_Als_de_dag_van_gisteren_Een_aantal_bijzondere_herinneringen_aan_Jan_JM_van_Dijk_gedurende_zijn_periode_op_het_ministerie_van_Justitie_1981_-_1998

Samenvatting

In 1982 volgt Jan van Dijk Dato Steenhuis op als directeur van het WODC. De periode die onder zijn directeurschap volgt wordt gekenmerkt door een stevige maatschappelijke betrokkenheid, aandragen van oplossingen om criminaliteit te reduceren, en een grote invloed op de toenmalige criminele politiek. Zijn persoonlijke optreden is deels vervlochten met beleidsvorming en de politiek bestuurlijke dimensie. In zijn eigen woorden: “het WODC had een medebepalende rol in de strategische beleidsontwikkeling, het was een gouden tijd qua invloed op het beleid”. In de periode 1981-1989 werden onder zijn aanvoering de volgende betekenisvolle bijdragen aan het justitiebeleid geleverd:  

Onder aanvoering van JJM werd in april 1989 de Directie Criminaliteitspreventie (DCP) binnen het ministerie van Justitie officieel ingesteld. Het preventiebeleid kreeg daarmee een ‘volwassen’ status. Criminaliteitspreventie kreeg organisatorisch en beleidsmatig eenzelfde status als bijvoorbeeld strafrechtelijke handhaving en vreemdelingenbeleid. De tijd was duidelijk rijp voor de intrede van criminaliteitspreventie. Een relatief nieuw beleidsterrein, zeker in vergelijking met de louter repressieve aanpak van criminaliteit. De bijdragen in de periode 1989-1995 onder de bezielende leiding van JJM zijn als volg samen te vatten:

In 1996 werd JJM de eerste directeur van de directie Algemene Justitiële Strategie. De periode 1996-1998 kenmerkt zich door een rommelige periode binnen het ministerie van Justitie. De “Steenhuisaffaire” en een mislukt experiment met de absolute scheiding tussen beleid en praktijk door de oprichting van de Directie Beleid. Het is geen goede periode op Justitie. JJM weet uiteindelijk vanaf 1996 in zijn laatste korte periode binnen Justitie als directeur van de directie Algemene Justitiële Strategie (dAJS) nog één maal met een klein team van medewerkers een aantal interessante initiatieven van de grond te krijgen. De taak van dAJS is het volgende: het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van een breed gedragen integraal Justitie meerjarenbeleid door het inbrengen in het departementale beleidsproces van analyses van maatschappelijke ontwikkelingen en het doen van voorstellen voor verkenningen en scenario’s. In die korte periode bij Justitie kreeg JJM het volgende voor elkaar:

In die korte periode weet JJM nog één keer een stempel op het toenmalige justitiebeleid te drukken. Uit persoonlijke observatie blijkt het voor JJM een zware en intensieve periode te zijn. Het is kort maar krachtig. De politieke druk is groot en de interne organisatie binnen het ministerie kijkt argwanend naar wat JJM en zijn medewerkers aan het doen zijn. Ik kom ergens in december 1998 aan het einde van de middag zijn kamer binnen. Ik stop ermee bij Justitie verzucht hij, ik ga volgende maand naar de United Nations in Wenen. Ga mee oppert hij, maar daar vlieg ik niet in.

Afsluitend

Boegbeelden als JJM zijn tegenwoordig schaars te noemen binnen het ministerie van Justitie & Veiligheid. Er is sprake van afvlakking en de energie gaat vaak zitten in vorm geven van een politiek secretariaat in plaats van een gedreven beleidsministerie. Dat is de huidige trend, ook binnen veel andere ministeries. Wat ik met deze 100e kennisparel heb willen aantonen is dat het gebruik van gevalideerde kennis in beleid en praktijk tot grote successen kan leiden.

Ik hoop dat ik met het sturen van deze ´kennisparels´ een bescheiden bijdrage kan leveren aan het oplossen van maatschappelijke kwesties en problemen. Dat kan, zo is in ieder geval in de beschreven periode gebleken. Nog één opmerking voordat jullie een dikke maand niets meer van mij vernemen. Uiteraard ben ik niet objectief in mijn oordeel. Dat komt vooral door mijn grote inhoudelijke betrokkenheid bij het vele werk dat in de hierboven beschreven periode door JJM is verricht. Ook zijn “superknecht” Hans Willemse, die helaas veel te vroeg is overleden, was een vaste rots in de branding. Zij zijn beiden in feite mijn “leermeesters” geweest. Persoonlijk heb ik veel aan ze te danken. Ook in de jaren na 1998 heb ik zeer frequent contact met JJM, hij is een goede vriend van mij mag ik wel zeggen. Mijn observaties over die lange periode brengt mij tot de conclusie dat JJM de grootste en meest invloedrijke onderzoeker en beleidmaker is geweest die het ministerie van Justitie tot nu toe heeft voortgebracht. Een zeldzame combinatie van kwaliteit, persoonlijke inspanning en vooral gedrevenheid. En hij is ook nog een aangenaam persoon. Daar hebben we er op dit moment meer van nodig!