Categories
A pearl of knowledge

[120] 11 November 2020: A configurative synthesis of evidence for fear in the criminal decision‑making process

Inleiding en context

Woensdag 11 november, de 11e van de 11e maar dit keer geen feestgedruis. De elfde dag van de elfde maand geldt namelijk als de opening van het carnavalsseizoen. In veel plaatsen in Nederland wordt op die dag de nieuwe prins carnaval bekendgemaakt. Dit jaar is alles anders, maar toch: alaaf. Die carnavalsuitroep is trouwens een verbastering van elf. Goed, genoeg over carnaval nu naar de bijgesloten ´kennisparel´ van vandaag. Dit keer een synthesestudie over het beslissingsgedrag van daders. Eerder stuurde ik daarover al een vergelijkbare parel, nummer 29: Learning from Criminals: Active Offender Research for Criminology. Naar mijn mening is bijgesloten synthesestudie een belangrijke bijdrage voor beleid en praktijk voor wat betreft het vergroten van inzicht in de denk- en leefwereld van daders. Dat is belangrijk omdat die wereld vaak mijlenver afstaat van die van beleidsmakers en rechtshandhavers. Percepties van pakkans, risico inschatting, effectiviteit van preventiemaatregelen, en rationaliteit blijken bijzonder af te wijken van die in de legale wereld.  

Het perspectief van de dader is dus een belangrijke aanvliegroute om effectief beleid te formuleren. Een mogelijke reden voor de soms beperkte effectiviteit van de huidige beleidsaanpak van criminaliteitsbestrijding is dat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen niet of nauwelijks aansluiten bij de denk- en leefwereld van (potentiële) daders. Zo zijn begrippen als afschrikking, bestraffing, beloning, schuld, schaamte, perceptie van pakkans, en gedragsverandering vooral gebaseerd op de waarden en normen van mensen die de wet “respecteren”. Ze zijn bedacht achter de bureaus op ministeries en andere organisaties. Het is echter een feit dat deze waarden niet als zodanig worden aangehangen door daders zelf. Het lijkt daarom logisch dat sociale controle maatregelen, criminaliteitspreventieprojecten, dadergerichte preventie en repressief beleid moeten passen in de denk- en leefwereld en (sub)cultuur van de (potentiële) daders of doelgroep zelf.

Een benaderingswijze vanuit de denk- en leefwereld van de dader zelf zou een vertrekpunt kunnen vormen om tot alternatief beleid te komen bij de aanpak van criminaliteit, zowel waar het vermogens- geweld- en georganiseerde criminaliteit betreft. Het verklaren van de oorzaken van criminaliteit is dan van minder belang dan de studie van die criminaliteitsvormen zelf. Het is dan ook van meer belang om in kaart te brengen hoe criminaliteit wordt gepleegd, dan de vraag waarom deze wordt gepleegd. Een benadering die mede gebaseerd is op het “daderperspectief” biedt dan de mogelijk om tot andere beleidskeuzen te komen. Dat betekent dat het beleid gebruik kan maken van het perspectief van ‘think criminal’ of ’think thief’ . Een vergelijking met het bedrijfsleven doemt dan op. Softwareproducenten denken en acteren al jaren zo. Binnen deze sector werken tientallen mensen die niets anders doen dan proberen software te kraken. Ze kruipen als het ware in de huid van de (potentiële) dader. Deze innovatieve manier van werken past helemaal binnen het dader specifieke denken.

De komende jaren kan bijvoorbeeld geëxperimenteerd worden met zogenaamde Think Thief Teams. De samenstelling van dergelijke teams bestaat uit ingesloten en actieve daders, industriële ontwerpers van diensten en goederen, wetenschappers, praktijkmensen, en beleidsmensen. Net als binnen de software-industrie wordt door deze teams ingeschat waar sterke en zwakke plekken zitten in de beveiliging van goederen en diensten, en wet- en regelgeving. Tevens kan getoetst worden of beleidsmaatregelen vanuit de optiek van de dader als effectief worden beoordeeld. Een dergelijke innovatie is tot op heden nog niet praktisch uitgevoerd.

De selectieve aanpak van daders en het beleid rond stelselmatige daders biedt mogelijkheden om de gepercipieerde pakkans bij daders op te hogen (ophogen generaal preventieve effecten). De toegenomen reikwijdte van maatregelen die vooral de technologie mogelijk maakt biedt kansen. Voorbeelden hiervan zijn automatic number plate readers, tracking and tracing, toepassing CCTV, politiële strategieën als hinderlijk volgen, frustreren en permanent interveniëren. Experimenten met onorthodoxe preventiemaatregelen kunnen dan kennis opleveren om effectief om te gaan met stelselmatige daders. Kortom, een pleidooi om meer van daders te leren bij het formuleren van justitiebeleid. Bijgesloten overzichtsstudie geeft daar handvaten voor. Ik heb trouwens voor de snelle lezer ook een populaire versie van de studie bijgesloten.

Bron

Gill, Martin, Lisa Tompson, Zoe Marchment, Florian Hetzel, Sanaz Zolghadriha & Aiden Sidebottom (September 2019). A configurative synthesis of evidence for fear in the criminal decision‑making process. Security Journal, 13 September, pp. 1-19. https://link.springer.com/article/10.1057/s41284-019-00201-w

Samenvatting

This paper reviews what previous research has found on the role of fear and other associated feelings in the criminal decision-making process, and the techniques that might plausibly amplify such emotions so as to reduce or disrupt intent. To this aim, we conduct a systematic review of the offender decision-making literature (23 studies), incorporating a qualitative synthesis of the role of fear in the criminal decision-making process. The results section is formed of six parts based on dominant themes identified in our eligible studies, namely evidence of fear in offender decision-making, the presumed sources of fear, variation in levels and/or the effect of fear across offenders, the specific role of fear across aspects of the crime process (before, during, after), the results of fear and offender fear management processes. We conclude with a discussion of the implication for crime prevention policies.

Every crime involves an element of risk and most criminal events occur where security or guardianship is present. How offenders resolve these risks differs between and within crimes. This review described several management strategies that offenders utilise to minimise perceptions of these risks. Offenders appear to decide to offend even when they are well aware of the risks involved, although there is significant variance in the kind and level of decision-making both between and among crimes. In general, the more complicated the crime

and the less vulnerable the target, the greater the amount of planning. Experience and the presence of co-offenders matter; drugs and/or alcohol are common tactics used to decrease risk-related stress. Perceptions of the efficacy of security measures (e.g. CCTV) vary; however, it appears that how offenders weigh up risks and the efficacy of security procedures is crucial. These considerations of risk may necessitate those tasked with security and crime prevention to highlight the effectiveness and not just the presence of security measures. This may objectively impact upon considerations of risk for some offenders, and subjectively impact upon mood and affect for others.

Afsluitend

Het klassieke economische uitgangspunt dat mensen rationeel handelen is nog het meest van toepassing als het gaat om anonieme en tijdelijke zakelijke transacties: dan zijn elementen als afweging van kosten en baten (nutsmaximalisatie) en een beperkte normerende invloed van de sociale omgeving relevant. Inmiddels heeft de psychologie aangetoond dat sprake is van systematische afwijkingen van dit model in de perceptie en waardering van gedragsopties en daaraan verbonden gevolgen. Dit wordt wel als ‘gedragseconomie’ aangeduid. Sociaalpsychologische inzichten zijn dan relevant. Het eerste betreft de betekenis van de situationele component – de grote betekenis van de kansen en mogelijkheden in gedragskeuzes die zich voordoen. Er lijkt vaak minder sprake van een ‘dispositie’ tot crimineel handelen dan een meer opportunistisch gebruik maken van de gelegenheden die zich voordoen (gelegenheid maakt de dader). Zo is de grens tussen regulier zakendoen en (daarnaast ook) illegaal handelen vaag, mede omdat illegale markten van nature moreel ambigue zijn (weliswaar is er een verbod maar ook een reële behoefte en vraag vanuit de samenleving) en wordt daarmee het participeren in de markten gemakkelijk goed te praten (‘te rationaliseren’). Die morele ambiguïteit maakt ook dat men zichzelf doorgaans niet als ‘crimineel’ ziet, en er niet vanzelfsprekend een ontmoedigende sociale omgeving bestaat die een rem had kunnen vormen op het gedrag. Het verbaast dan niet de illegale handelaren voor een fors deel komen uit of deels nog verbonden zijn aan het reguliere bedrijfsleven en niet uit de gewone misdaad.

Een tweede inzicht is dat strafdreiging wel degelijk een factor van belang kan zijn. Dat geldt voor degenen die potentieel tot de markt toetreden, die neigen tot overschatting van de risico’s van betrapping en bestraffing, en voor hen die al langer in die markt participeren en daarbij afgaan op hetgeen ze zelf ervaren en waarnemen in hun omgeving – indien die strafdreiging nagenoeg afwezig blijkt zal men die geheel negeren. Overigens, er lijkt geen reden om te menen dat er enig verschil zal zijn in het zoeken of vermijden van risico’s in het legale en het illegale zakendoen – in beide gevallen zal dat eerder mensen aantrekken die risico’s niet uit de weg gaan of deze zelfs opzoeken. De conclusie is dan, dat het accent kan komen te liggen op het beïnvloeden van de context waarbinnen de illegale markten de gelegenheid hebben zich te manifesteren, en dat een persoonsgerichte aanpak er op gericht moet zijn het risico van bestraffing zodanig vorm te geven dat men zich niet onaantastbaar waant. Food for thought, zowel bij de aanpak van commune als georganiseerde criminaliteit.

Tot zover maar weer, blijf gezond, optimistisch en wees vooral aardig voor elkaar. Alleen zo gaan we echt solidair met elkaar om. Tot de volgende ´kennisparel´ die over een paar dagen in jullie mailbox valt.