Inleiding

Goede morgen allemaal op deze maandag 30 maart 2026. Ik begin met een favoriet liedje van mij: https://www.youtube.com/watch?v=rXwMrBb2x1Q&list=RDrXwMrBb2x1Q&start_radio=1 Vandaag een ´kennisparel´ over het gebruik van data verkregen bij eerste hulpposten in zestien Europese landen om de omvang en ernst van huiselijk geweldscriminaliteit tegen vrouwen te bepalen. Het is bekend dat veel vormen van (ernstige) geweldscriminaliteit niet worden aangegeven bij de politie. Hierdoor ontbreekt het inzicht in welke mate, wanneer, op welke plaatsen en wie er slachtoffer worden van geweldscriminaliteit.

Waarom doen geweldslachtoffers vaak geen aangifte bij de politie? Men kent de dader en is angstig voor represailles, het slachtoffer is op de ´verkeerde plaats en verkeerde tijd´ en wil niet dat anderen dat weten, het slachtofferschap is aan het eigen gedrag te wijten, een vaak diffuse relatie tussen dader en slachtoffer en ´de politie is de vijand´. Kortom: ook ernstige vormen van huiselijk geweld tegen vrouwen zijn vaak niet bekend in de officiële politiestatistieken.

Uit eerder onderzoek is dus gebleken dat veel geweld waarbij sprake is van lichamelijk letsel waarvoor medische hulp nodig is, niet door de politie wordt geregistreerd. Data over geweldsmisdrijven uit ambulancediensten en bij eerste hulpposten in ziekenhuizen biedt dus een alternatief om de omvang, ernst en achtergronden van geweldsslachtoffers in kaart te brengen: https://www.cardiff.ac.uk/documents/2665796-the-cardiff-model-for-violence-prevention Een deel van die slachtoffers moet zich dan bij eerste hulpposten in ziekenhuizen melden met ernstige lichamelijke gevolgen van dat huiselijk geweld. Wat is de precieze omvang van het aantal slachtoffers? Het doel van bijgesloten ‘kennisparel’ is het kwantificeren van de omvang van het letsel toegebracht aan slachtoffers van huiselijk geweld die zich melden bij spoedeisende hulpafdelingen in ziekenhuizen in zestien Europese landen.

Zo blijkt uit deze bijgesloten ‘kennisparel’ dat vrouwen die dit huiselijk geweld hebben meegemaakt 3,4 keer meer kans hadden op hoofd- of gezichtsletsel dan personen met ander vrouwelijk letsel (48,8% versus 14,4%). Bovendien blijkt huiselijk geweld, na correctie voor leeftijd, periode en land, significant vaker geassocieerd te zijn met ziekenhuisopname of overlijden in vergelijking met ander geweld tegen vrouwen. Ondanks beperkingen zoals onderrapportage, onvolledigheid in de gebruikte variabelen en de dekking door verschillende spoedeisende hulpafdelingen, vormt deze ingang een waardevolle bron voor het ontwikkelen van op bewijs gebaseerde preventie- en responsstrategieën tegen geweld tegen vrouwen.

Bron

Carannante, Anna, Alessio Pitidis, Gianni Fondi, Tabea Fian, Tatiana Alves, Huib Valkenberg, Susanne Nijman & Marco Giustini (April 2026). Gender-based violence against women and girls aged ≥15 years presenting to European emergency departments: A multinational, cross-sectional analysis. The Lancet Public Health, vol. 11, no. 4, April, pp. 253-263. https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2468266726000307

Samenvatting

Gender-based violence (GBV) is an important public health issue in Europe, yet standardised cross-national data remain scarce. Emergency departments (EDs) are often the first point of contact for an individual who has been assaulted. This study aimed to analyse GBV-related ED presentations using data from the European Injury Database (IDB). This cross-sectional study analysed IDB data from 16 European countries (Jan 1, 2008, to Dec 14, 2023), defining GBV as intentional injuries inflicted by male perpetrators, involving female individuals aged ≥15 years. Descriptive analyses compared GBV with other female injuries (female victims in whom the perpetrator was recorded as female or was not specified). Multivariable logistic regression assessed GBV-associated injury severity compared with other violence against girls and women, adjusting for age, period, and country.

Of 5 643 295 injury-related ED attendances, 1 960 096 were other female injuries and 21 048 were violence cases, of which 10 315 were GBV. Mean age was 38·2 years (SD 15·7) for individuals subjected to GBV and 55·3 years (41·5) for those with other female injuries. There were higher rates of head and face injuries, contusions, and asphyxiation-related injuries in cases of GBV than other female injuries, but there were lower rates of fractures. Most GBV events occurred in domestic settings (5802 [56·3%] of 10 315 GBV cases) and during night-time hours (3931 [41·9%]), involving physical force (7340 [73·1%]); perpetrators were most commonly intimate partners (4906 [47·6%]) or strangers (1546 [15·0%]). Hospital admission was more frequent in GBV than in other female injuries (2210 [21·4%] of 10 315 vs 366 765 [18·7%] of 1 960 096; p<0·0001). GBV was associated with higher injury severity compared with other female injuries after adjustment (odds ratio 1·22, 95% CI 1·12–1·34; p<0·0001).

GBV-related ED cases show distinct features that characterise the visible spectrum of violence against girls and women in emergency settings. These patterns highlight the need for improved documentation and greater awareness of less visible presentations. Cross-national variability underscores the need for harmonised surveillance protocols to capture the true burden of GBV in Europe.

Afsluitend

Er is meer dan genoeg evidentie beschikbaar waaruit blijkt dat ambulancediensten en eerste hulpposten een substantieel deel van geweld in beeld brengen die niet door de politie wordt geregistreerd: https://prohic.nl/2024/11/18/794-18-november-2024-the-use-of-emergency-medical-services-data-to-identify-concentrations-of-violence-and-drug-activity-a-review/ en: https://prohic.nl/2023/02/28/524-28-februari-2023-prevalence-of-alcohol-and-other-drug-use-in-patients-presenting-to-hospital-for-violence-related-injuries-a-systematic-review/ Het betreft dus een unieke bron van informatie over de epidemiologie van gemeenschapsgeweld en heeft daarmee het potentieel om de huidige methoden voor de omvangschatting van gewelddadige criminaliteit te verbeteren.

Samengevat suggereren de bevindingen uit bijgesloten ‘kennisparel’ dat routinematige surveillance op de spoedeisende hulp een waardevolle bron kan worden voor het begrijpen van geweld tegen vrouwen en meisjes, mits de systemen worden versterkt om het aantal ontbrekende gegevens te verminderen, de consistentie van de codering te verbeteren en minder zichtbare vormen van geweld beter te herkennen. Een mooi voorbeeld hoe met behulp van zogenaamd ´multi-source onderzoek´ relevante data kan worden verkregen om, in dit geval, een omvangschatting te maken van geweldscriminaliteit tegen vrouwen en meisjes.

Door het combineren van gegevens van spoedeisende hulpafdelingen en de politie over wie, wanneer, waar en hoe van gewelddadige gebeurtenissen kan een veel nauwkeuriger beeld kan worden verkregen om preventie-inspanningen te richten op waar ze het meest effectief zijn. De concentratie van geweldscriminaliteit met letsel tegen vrouwen zijn nauw verbonden met specifieke gebeurtenissen, dagen van de week en lokale praktijken. Ook hier geldt: meten is weten. Daar kan de huidige aanpak nog van leren bij het vormgeven van beleid tegen vrouwenmishandeling en in de politieke discussie daarover.